Het hof oordeelt dat de kosten voor stalling en voor van het paard evenals de kosten van dierenarts, hoefsmid en dergelijke meer, uitgaven zijn die door de koper ook hadden moeten betaald worden indien het paard verder zou bereden geweest zijn. Dit zijn kosten eigen aan het houden van een paard, ongeacht of dit bereden wordt of niet. De koper toont ook niet aan en houdt evenmin voor dat zij voor het gehuurde paar eveneens dergelijke kosten heeft moeten betalen, zodat er geen sprake is van dubbele kosten. De stalgelden en de veterinaire kosten die voor het paar betaald werden staan bijgevolg niet in oorzakelijk verband met het weerhouden gebrek, aangezien deze kosten eveneens gemaakt moesten worden wanneer het paard geen gebrek had vertoond en wel bereden zal zijn geweest.
De kostprijs voor de huren van het vervangingspaard staat daarentegen wel in causaal verband met het gebrek van het paard, aangezien een vervangingspaard wel gehuurd werd omdat het paard voor de dochter niet berijdbaar was. Het feit dat de beslissing om een vervanging te huren een eigen beslissing van de koper was, doet hieraan geen afbreuk.
Er is een wezenlijk verschil tussen de wet van 25 augustus 1885 en de wet op de consumentenkoop.
De wet van 25 augustus 1885 is er gekomen met de bedoeling de toepassing van de gemeenrechtelijke bepalingen inzake de verborgen gebreken, zoals vastgesteld in de artikelen 1641-1648 Burgerlijk Wetboek te vergemakkelijken ter zake de verkoop of ruiling van huisdieren .